Ablatie schildklier

Na een succesvolle operatie blijft vaak nog wat restweefsel van de schildklier achter.

De chirurg probeert er tijdens de operatie voor te zorgen dat de zenuwen van de stemband en de bijschildklieren, die dichtbij de schildklier liggen, niet beschadigd raken. Om het resterende weefsel of de aanwezige kwaadaardige tumorcellen te vernietigen, wordt de zogenaamde ablatieve radioactief jodiumbehandeling gebruikt. Door het toedienen van radioactief jodium worden de schildkliercellen van binnenuit kapot gemaakt.

Na de operatie en de noodzakelijke stijging van de TSH-spiegel wordt de ablatieve radioactief jodiumbehandeling op de afdeling nucleair geneeskunde uitgevoerd. Het radioactieve jodium-131-isotoop wordt aan de patiënt als capsule gegeven. Het gaat naar de overgebleven schildklierresten en maakt deze cellen kapot. In de volksmond wordt dit “de slok” genoemd.

Jodium-131 is een bèta- en gammastraler. De straling is kort na de inname van de jodium-131-capsule het sterkst. Na de inname moeten de patiënten daarom een paar dagen op de afdeling nucleair geneeskunde  opgenomen worden in een special afgesloten kamer (de zogenaamde loodkamer). In deze tijd vinden twee gebeurtenissen plaats die de straling in het verloop van de tijd steeds verder afzwakken. Ten eerste heeft jodium-131 een fysieke halfwaardetijd van acht dagen, wat er op wijst dat het na acht dagen nog maar half zo sterk straalt. Ten tweede wordt het radioactief materiaal door de urine uitgescheiden. Ook dit vermindert de straling in het lichaam . Als de radioactief jodiumbehandeling door onttrekken van het schildklierhormoon voorbereid is, werken de nieren in de tijd van de ablatie relatief langzaam en reinigt zo ook het lichaam trager van radioactief materiaal. Bij een voorbereiding met rhTSH werken  de nieren op normale snelheid en scheidt daarom het resterende jodium-131,  sneller uit.

Als de straling van het lichaam onder een, in het ziekenhuis geldende drempelwaarde komt, mag de patient de loodkamer verlaten. Meestal worden er voor de twee weken na de behandeling leefregels meegegeven.

Thyroid Stimulerend Hormoon (TSH)-stijging als voorbereiding op de ablatie

Om de radioactieve behandeling met succes te laten verlopen en om de achterblijvende schildkliercellen voldoende radioactief jodium te laten opnemen, moeten de cellen eerst „hongerig naar jodium“ worden gemaakt. Hier kan de patiënt aan meehelpen door vóór de behandeling met radioactief jodium een teveel aan jodium door middel van levensmiddelen te vermijden. Cruciaal hierbij is echter de TSH-spiegel in het lichaam. Deze moet stijgen om de schildkliercellen voor de opname van jodium te activeren.

Om de TSH-spiegel in het lichaam te verhogen zijn er twee mogelijkheden – een verhoging van de TSH-spiegel door het toedienen van biotechnologisch gemaakte vervanging van het natuurlijke hormoon (recombinant humaan TSH, rhTSH) of het onttrekken van schildklierhormoon. Patiënten dienen met hun arts over de optimale behandelingsvorm te spreken.

Stimulering met rhTSH

Om bij werkingen van een hypothyreoïdie te voorkomen, kan gekozen worden om te stimuleren met rhTSH.  De TSH-spiegel wordt door 2 giften  rhTSH (= recombinant humaan TSH), een biotechnologisch gemaakte vervanging van het natuurlijke hormoon, in korte tijd snel verhoogd.

Bij deze behandelingsvorm kunnen de tabletten met schildklierhormoon direct na de operatie toegediend worden, zo hoeft de patiënt de onaangename bijwerkingen van een tekort aan schildklierhormoon niet te ervaren. Twee giften van het rhTSH worden op twee opeenvolgende dagen voorafgaand aan de radioactief jodiumbehandeling in de  bilspier geïnjecteerd. Hierdoor  stijgt de TSH-spiegel snel. De schildklierhormoontabletten  kunnen daarbij dagelijks worden ingenomen.

Schildklierhormoon

Een stijging van TSH wordt bereikt door de patient hypothyreoot te maken. Omdat de patiënt na de schildklieroperatie geen schildklierhormoon meer aanmaakt, ontstaat een hypothyreoidie als de patient niet direkt wordt behandeld met schildklierhormoon (thyroxine).  Het lichaam bemerkt daarbij dat er een tekort is aan schildklierhormoon en produceert meer TSH – het „schildklierstimulerende hormoon“. TSH activeert de schildkliercellen, waardoor al het, in het bloed beschikbare radioactief jodium, opgenomen wordt.

De fase van het onttrekken van schildklierhormoon duurt ongeveer vier tot zes weken. Pas dan heeft men een voldoende hogere TSH-spiegel van ongeveer 30 mU/l bereikt, wat hoog genoeg is om de ablatie uit te voeren. Door dit tekort aan schildklierhormoon (hypothyreoidie) voelen vele patiënten zich lusteloos en kunnen last hebben van  moeheid,  depressies,  verminderde denkactiviteit en concentratieproblemen. Deze klachten nemen geleidelijk af na start van inname van de schildklierhormoontabletten.