Schildklieronderzoek

Schildklierkanker kan door vergroting van de schildklier tot verschillende klachten leiden.

Bij symptomen die kunnen duiden op schildklierkanker, zoals de aanwezigheid van een schildkliernodus, is nader onderzoek door een schildklierspecialist (internist-endocrinoloog) nodig. Dit onderzoek zal altijd beginnen met een gesprek om een zo duidelijk mogelijk beeld te krijgen van de ziektegeschiedenis (de anamnese). Dit gesprek bestaat onder andere uit vragen over eventuele klachten en wanneer deze ontstaan zijn, of er schildklierkanker in de familie voorkomt en of er sprake is van andere factoren die zouden kunnen leiden tot het ontstaan van schildklierkanker, zoals bijvoorbeeld bestraling van het hoofd/halsgebied in de kindertijd. 

Lichamelijk onderzoek

Het lichamelijk onderzoek bestaat uit het met de vingers aftasten (palperen) van de schildklier en de lymfeklieren van de hals. Hiermee krijgt de arts een indruk van de karakteristieken van de schildklier, de schildkliernodus en het omliggende weefsel. Ook stelt de arts zo vast of er sprake is van zwelling van de lymfeklieren. Daarnaast zal er gekeken worden naar de algehele lichamelijke conditie, waarbij bijvoorbeeld naar hart en longen geluisterd wordt. 

Bloedonderzoek

Ook al heeft schildklierkanker over het algemeen geen invloed op de schildklierfunctie, toch zal er bij schildklieronderzoek bij een verdenking op schildklierkanker altijd een schildkliertest worden gedaan (bloedonderzoek naar de schildklierhormoonwaarden). Als er een vermoeden bestaat dat er sprake is van medullair schildkliercarcinoom, zal ook het gehalte calcitonine in het bloed worden bepaald. Daarnaast is het mogelijk dat er, afhankelijk van individuele klachten en/of symptomen, aanvullend bloedonderzoek wordt gedaan. 

Echografie

Door middel van echografisch onderzoek van de schildklier wordt onderzoek gedaan naar onder andere de structuur en doorbloeding van de schildklier en de schildkliernodus. Ook kunnen zo de lymfeklieren in de hals worden onderzocht op eventuele afwijkingen.
Met een echo is niet te bepalen of een schildkliernodus kwaadaardig is of niet: daarvoor is microscopisch onderzoek van de cellen (biopsie) van de nodus nodig. Deze cellen worden uit de schildkliernodus gehaald door middel van een zogeheten schildklierpunctie. 

Schildklierpunctie (FNA-fine needle aspiration)

Om te kunnen onderzoeken of een schildkliernodus goedaardig of kwaadaardig is, worden met een dunne naald cellen opgezogen uit de schildkliernodus; dit wordt ook wel een schildklierpunctie genoemd (in de medische wereld wordt deze techniek aangeduid met de afkorting FNA – fine needle aspiration). De schildklierpunctie zal tegelijk met de echo worden uitgevoerd, omdat met behulp van de echobeelden de plaats waar geprikt moet worden nauwkeurig kan worden bepaald.

Biopsie

De met de schildklierpunctie verkregen cellen worden in het laboratorium onderzocht onder de microscoop. Dit onderzoek heet een biopsie. Als er kwaadaardige cellen zichtbaar zijn onder de microscoop, zal ook het type kankercel worden bepaald. Informatie over het type carcinoom is van belang voor de behandeling: niet alle soorten schildklierkanker worden op dezelfde manier behandeld.

Meestal zal door onderzoek van de opgezogen cellen duidelijk worden of de schildkliernodus wel of niet kwaadaardig is. Soms lukt het echter niet om hier met deze onderzoeksmethode zekerheid over te krijgen. Als er twijfel blijft bestaan over de aard van de schildkliernodus, kan alleen onderzoek van het weefsel van de schildkliernodus zelf hier duidelijkheid in geven. Daarvoor moet de nodus operatief worden verwijderd: de helft van de schildklier (die waar de nodus zich bevindt) wordt tijdens deze schildklieroperatie weggenomen (een zogeheten hemithyreoïdectomie) en microscopisch onderzocht.

Scintigrafie

Scintigrafie is beeldvormend onderzoek waarbij door middel van radioactieve stoffen weefsels en organen in beeld kunnen worden gebracht. Bij het onderzoek van een schildklierknobbel zal meestal geen scintigrafie van de schildklier worden gemaakt, tenzij er ook sprake is van hyperthyreoïdie. Dit type beeldvormend onderzoek speelt wél een belangrijke rol in de follow-up na een schildklieroperatie en ablatie met radioactief jodium.

CT- of MRI-scan

CT is de afkorting van Computer Tomografie, MRI is de afkorting van Magnetic Resonance Imaging. Beide beeldvormende technieken worden gebruikt om organen en weefsels ‘in plakjes’ in beeld te brengen. CT maakt gebruik van röntgenstralen, MRI van radiogolven en magnetische resonantie.
Bij grote tumoren is het soms nodig een CT- of een MRI-scan te maken: aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of en hoe ver de tumor in bloedvaten en/of omliggend weefsel is ingegroeid en of er uitzaaiingen in de hals of elders in het lichaam zijn.
In bepaalde gevallen wordt bij deze onderzoeken gebruikgemaakt van een contrastmiddel. Omdat dit jodium bevat, en de schildkliercellen dit opnemen, kan ablatie met radioactief jodium pas na een aantal maanden plaatsvinden als er tijdens het onderzoek jodiumhoudende contrastmiddelen zijn gebruikt – het jodium zal eerst helemaal uit het lichaam verdwenen moeten zijn.