Follow-up na behandeling van schildklierkanker

Doordat tegenwoordig schildklierkanker in een vroeg stadium ontdekt en behandeld wordt, is bij gedifferentieerd schildkliercarcinoom de kans op terugkeer van de kanker (recidief) in de meerderheid van de gevallen klein, zeker als na de schildklieroperatie een succesvolle ablatie met radioactief jodium heeft plaatsgevonden. Toch is een goede follow-up belangrijk: nog vele jaren na de eerste behandeling blijft de kans aanwezig dat er wél een recidief ontstaat.

Afhankelijk van het type schildkliercarcinoom en het risico op terugkeer (recidief) kan de diagnostische follow-up uit verschillende onderzoeksmethoden bestaan. Bloedonderzoek naar de tumormarker thyreoglobuline heeft echter altijd een centrale rol in de follow-up van schildklierkanker.

Hoe vaak er follow-up-onderzoeken zullen plaatsvinden en voor hoe lang is onder andere afhankelijk van het type schildklierkanker, de grootte van de tumor en het in de loop van de tijd al dan niet aanwezig zijn van aanwijzingen voor uitzaaiingen of terugkeer van de schildklierkanker.

Los van de follow-up die noodzakelijk is voor het tijdig ontdekken van eventuele terugkeer of uitzaaiingen van de schildklierkanker, is na een totale thyreoïdectomie levenslange follow-up nodig voor het controleren van de schildklierhormoonwaarden. 

Tumormarkers

Tumormarkers (ook wel tumormerkstoffen genoemd) zijn specifieke stoffen die bij kanker kunnen voorkomen in het lichaam. Deze stoffen (meestal eiwitten) kunnen door het lichaam worden aangemaakt als reactie op de kanker, maar bij bepaalde kankersoorten kunnen ze ook door de tumor zelf worden geproduceerd. Tumormarkers kunnen van nature in het lichaam aanwezig zijn zonder dat er sprake is van kanker. Het zijn dus geen absolute ‘kankerverklikkers’, maar ze kunnen wél helpen in de diagnostiek en de follow-up van bepaalde kankersoorten. Er zijn verschillende soorten tumormarkers voor verschillende soorten kankers. Sommige kankersoorten delen dezelfde tumormarker(s), andere kankersoorten hebben een eigen, unieke tumormarker. 

Thyreoglobuline

Thyreoglobuline (Tg) is een waardevolle tumormarker voor schildkliercarcinoom: dit is een eiwit dat uitsluitend door schildkliercellen kan worden gemaakt. Na totale verwijdering van de schildklier en succesvolle ablatie met radioactief jodium hoort de Tg-spiegel onder een bepaalde waarde te blijven. Vóór de ablatie wordt de Tg-spiegel in het bloed bepaald; de waarde die dan gemeten wordt, is de uitgangswaarde. Als in de loop van de tijd de Tg-spiegel boven een bepaald niveau komt, betekent dat dat er schildkliercellen in het lichaam aanwezig zijn, en dat kan een aanwijzing zijn voor terugkeer (recidief) of uitzaaiingen van de kanker. Als de Tg-spiegel na ongeveer een jaar niet gestegen is, wordt een zogeheten gestimuleerde Tg-meting gedaan. Voor deze meting moet voor een maximale stimulatie van eventueel nog aanwezige schildklier(kanker)cellen de TSH-spiegel tot boven een bepaalde waarde verhoogd zijn. Het verhogen van de TSH-spiegel kan, net als bij de voorbereiding voor ablatie met radioactief jodium, op twee manieren bereikt worden: door de schildklierhormoonmedicatie tijdelijk, vanaf een aantal weken voor de Tg-meting, te stoppen (schildklierhormoon-onttrekking), óf door het toedienen van recombinant humaan TSH (rhTSH). Wanneer rhTSH wordt toegediend, hoeft de schildklierhormoonmedicatie niet te worden gestopt en zullen er geen verschijnselen van hypothyreoïdie optreden. De keuze van de methode die gekozen wordt om de TSH-spiegel te verhogen ligt bij de behandelend arts. Als voor schildklierhormoon-onttrekking wordt gekozen, zal in veel gevallen tegelijk met de gestimuleerde Tg-bepaling een totale lichaamsscintigrafie worden gemaakt met een lage dosis radioactief jodium.

Ook eventueel in het bloed aanwezige Tg-antistoffen spelen een belangrijke rol. Deze horen te verdwijnen na een totale thyreoïdectomie en succesvolle ablatie. Als dat niet gebeurt of als in de follow-up Tg-antistoffen ontstaan, kan ook dat wijzen op de aanwezigheid van uitzaaiingen. Tg-antistoffen in het bloed kunnen de betrouwbaarheid van Tg-bepalingen beïnvloeden.

Calcitonine en CEA

Bij medullair schildkliercarcinoom speelt de tumormarker calcitonine een zeer belangrijke rol: calcitonine is een hormoon dat wordt geproduceerd door de C-cellen in de schildklier. Een andere, minder specifieke tumormarker voor medullair schildkliercarcinoom is CEA (carcino-embryonaal antigeen). Een verhoogde of oplopende bloedwaarde van deze tumormarkers kan erop wijzen dat de kanker is teruggekeerd of uitgezaaid.

Schildklierhormoonwaarden

Na de verwijdering van de schildklier is voor enige tijd een iets hogere dosis schildklierhormoonmedicatie (levothyroxine) nodig dan de hoeveelheid schildklierhormoon die de schildklier zelf aanmaakte. Dit is nodig om de TSH-waarde relatief laag te houden: TSH heeft een stimulerende werking op schildkliercellen en dus ook op kwaadaardige schildkliercellen. Het tijdelijk laag houden van de TSH-spiegel verkleint de kans op groei van eventueel nog in het lichaam aanwezige schildklierkankercellen. Na verloop van tijd zal de dosering van de levothyroxine verlaagd worden; het moment waarop dit gebeurt is afhankelijk van de resultaten van de follow-up van de schildklierkanker.
Om steeds de juiste dosering te bepalen zullen in de eerste periode na aanvang van de hormoonvervangende medicatie de controles van de schildklierwaarden in het bloed met vrij korte tussenpozen plaatsvinden. Uiteindelijk, als er een stabiele en klachtenvrije situatie is ontstaan, kunnen de schildklierhormooncontroles beperkt blijven tot eenmaal per jaar. 

Echo van de hals

Echografie van de hals is naast tumormarker-onderzoek is een onderzoeksmethode die in de follow-up van schildklierkanker een belangrijke rol speelt. Een echo van de hals kan lokale recidieven of uitzaaiingen in de hals aan het licht brengen. 

Totale lichaamsscintigrafie

Dit beeldvormende onderzoek is erop gericht eventueel aanwezig schildkliercellen in het lichaam zichtbaar te maken. Als die gevonden worden, is verder onderzoek en eventueel behandeling nodig.
De gang van zaken bij een totale lichaamsscintigrafie is vergelijkbaar met die zoals die bij ablatie is, met dat verschil dat er een veel lagere dosis jodium-131 wordt gebruikt (een zogeheten speurdosis). Hiervoor is dan ook geen ziekenhuisopname nodig. De voorbereiding voor dit onderzoek is echter wél hetzelfde als bij de voorbereiding voor een ablatie met radioactief jodium: om ervoor te zorgen dat eventueel aanwezige schildkiercellen zo veel mogelijk jodium opnemen, is verhoging van de TSH-spiegel in het bloed nodig. Dit kan door middel van schildklierhormoon-onttrekking of door toediening van recombinant humaan TSH (rhTSH). Welke methode het meest geschikt is voor de voorbereiding is per individueel geval verschillend en ter beoordeling aan de behandelend arts.