Schildklieroperatie

Onafhankelijk van het soort carcinoom moeten de patiënten in de regel een operatie ondergaan waarbij de zieke schildklier geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd.

Voor de planning van de behandeling kunnen in specifieke  gevallen een CT scan, een MRI of een  PETscan voor de operatie zinvol zijn, maar vaak is een echo van de hals alleen voldoende.

De chirurg verwijdert bij de operatie voor zover mogelijk de totale schildklier om er zeker van te zijn dat de kanker volledig verwijderd is. Wanneer de diagnose voor de operatie niet geheel duidelijk is, wordt soms eerst slechts een deel van de schildklier verwijderd, een zogenaamde hemi-thyreoïdectomie. Dit verwijderde deel wordt dan opgestuurd voor nader onderzoek. Als dan blijkt dat er inderdaad sprake is van schildklierkanker wordt in een tweede operatie de andere helft dan meestals alsnog verwijderd, tenzij de tumor erg klein was (< 1 cm).

Zonder schildklier verliest het lichaam de mogelijkheid om zelf schildklierhormoon aan te maken. Dit dient na de operatie dmv  tabletten gesuppleerd  te worden (hormoonvervangende therapie). Voor de meeste patiënten is dit zonder verdere complicaties mogelijk. Het kan even duren voordat de juiste bloedspiegel bereikt wordt.

Schildklier verwijderen

Voor het verlaten van het ziekenhuis worden patienten door hun behandelend arts of verpleegkundige geinformeerd over een leven zonder schildklier. Tot de nazorg behoort onder andere ook  het regelmatig innemen van schildklierhormonen, die door de verwijdering van de schildklier niet meer aangemaakt worden. De optimale individuele dosering van deze zogenaamde schildklierhormoonvervangende therapie  - (T4)  – wordt door regelmatig bloedonderzoek bepaald. Het consequent innemen van de medicijnen is van belang voor een goede instelling.