Schildklierhormoon

De schildklier wordt aangestuurd door de hypofyse, een in de hersenen gelegen orgaantje dat op zijn beurt weer aangestuurd wordt door een ander gedeelte van de hersenen: de hypothalamus. De hypothalamus scheidt het hormoon TRH (thyreotropin releasing hormone) af, wat voor de hypofyse het signaal is om het hormoon TSH (thyroïd stimulerend hormoon) te produceren en in de bloedbaan te brengen. TSH in het bloed zet de schildklier aan tot productie van schildklierhormoon.

Om schildklierhormoon te kunnen produceren, heeft de schildklier jodium nodig. Jodium komt het lichaam binnen via het voedsel dat we eten en wordt door de schildklier uit het bloed gehaald. Schildkliercellen zijn de enige cellen in het lichaam die jodium kunnen opnemen.

T4 (thyroxine), T3 en TSH

De twee belangrijkste hormonen die de schildklier aanmaakt en via het bloed naar de lichaamsweefsels afscheidt zijn thyroxine (T4) en tri-joodthyronine (T3). Hoewel T3 het direct werkzame hormoon is, wordt T4 in grotere hoeveelheden door de schildklier geproduceerd (T3 ongeveer 10%, T4 ongeveer 90%) ; T4 wordt in onder andere de lever en de hersenen omgezet in T3.

De schildklierhormonen T4 en T3 beïnvloeden de snelheid waarmee lichaamscellen werken. De afgifte van deze hormonen werkt volgens een mechanisme dat vergelijkbaar is met dat van een centrale verwarming: de hypothalamus is de thermostaat die het gehalte schildklierhormoon in het bloed bewaakt. Zoals een thermostaat zorgt dat de verwarming aangaat als het te koud wordt in huis, zorgt de hypothalamus er door middel van het afgeven van het hormoon TRH voor dat de hypofyse meer TSH gaat produceren als de schildklierwaarden in het bloed (het gehalte schildklierhormoon) te laag worden. De schildklier reageert hierop door meer schildklierhormoon af te geven. Als het gehalte schildklierhormoon in het bloed stijgt, is dat een signaal voor de hypothalamus en de hypofyse om de afgifte van TRH en de productie van TSH weer te verlagen. Er is dus een continue wederzijdse beïnvloeding tussen het gehalte van TSH en dat van T4 en T3 in het bloed. Dit mechanisme van aansturing van de schildklier en de wederzijdse feedback wordt de hypothalamus-hypofyse-schildklieras (HPT-as) genoemd.

Calcitonine

Naast T4 en T3 produceert de schildklier het hormoon calcitonine. Dit hormoon wordt aangemaakt door de C-cellen (officieel parafolliculaire cellen genoemd) in de schildklier; het speelt een belangrijke rol in de calciumstofwisseling en staat geheel los van de functie van T4 en T3. Een te hoog calciumgehalte in het bloed (hypercalciëmie) kan leiden tot serieuze gezondheidsproblemen en in ernstige gevallen tot coma of hartstilstand. Wanneer het calciumgehalte in het bloed te hoog wordt, scheidt de schildklier calcitonine af om dat te verlagen door o.a. het botafbraakproces in het skelet en de opname van calcium door de darmen af te remmen. Calcitonine is een kort- en snelwerkend hormoon en is de tegenhanger van het door de bijschildklieren geproduceerde parathyreoïdhormoon (PTH), ook wel parathormoon genoemd, wat juist het botafbraakproces en de opname van calcium door nieren en darmen stimuleert.