Schildklierwaarden

De schildklierfunctie kan worden gemeten aan de hand van het gehalte schildklierhormoon in het bloed, de zogeheten schildklierwaarden. De afgifte van schildklierhormoon wordt gereguleerd door het door de hypofyse geproduceerde hormoon TSH (thyroïd stimulerend hormoon).
Een deel van het in het lichaam aanwezige T4 ligt opgeslagen in de schildklier. Van het in het bloed aanwezige T4 is het grootste deel gebonden aan eiwitten, vooral aan het thyroxine-bindend eiwit (TBG); de rest circuleert in het bloed als ‘vrij’ T4 dat naar behoefte in lichaamsweefsels wordt omgezet in T3. Van het in het lichaam aanwezige T3 circuleert slechts een heel klein percentage als vrij hormoon in het bloed. ‘Vrij’ T4 en ‘vrij’ T3 wordt in de medische wereld aangegeven als FT4 en FT3 (de F staat voor het Engelstalige Free).

Bloedonderzoek bij schildklieraandoeningen

TSH, FT4 en FT3

De TSH-waarde in het bloed is een belangrijke graadmeter bij het beoordelen van de schildklierhormoonhuishouding: een verhoogde TSH-waarde is een indicatie dat de schildklier onvoldoende T4 produceert, een verlaagde TSH-waarde is een indicatie dat de schildklier te veel T4 produceert. Vaak wordt bij laboratoriumonderzoek in eerste instantie alleen de TSH-waarde bepaald; als die waarde afwijkend is, wordt in hetzelfde bloedmonster ook de FT4-waarde bepaald. Alleen in uitzonderlijke situaties, zoals bijvoorbeeld een verlaagd TSH bij een normaal FT4, wordt ook het T3 bepaald.

Normaalwaarden

Normaalwaarden zijn de schildklierwaarden in het bloed zoals die horen te zijn bij een normale, gezonde schildklierhormoonhuishouding (een toestand die in medische termen euthyreoïdie wordt genoemd).

De meeste laboratoria hanteren hiervoor de volgende grenswaarden:

TSH

0,4 – 4,0 mU/l

T4

64 – 154 nmol/l

FT4

8 – 26 pmol/l

T3

1,2 – 3,4 nmol/l

FT3

3 – 8 pmol/l

Afwijkende waarden

Wanneer de schildklierhormoonwaarden afwijken van de normaalwaarden, is er sprake van een stoornis in de schildklierhormoonhuishouding. In veruit de meeste gevallen betreft het afwijkende waarden doordat de schildklier zelf niet goed functioneert. Dit wordt een zogeheten primaire functiestoornis genoemd: de schildklier werkt te traag (hypothyreoïdie), of de schildklier werkt te snel (hyperthyreoïdie). In zeldzame gevallen ligt de oorzaak van een te traag of te snel werkende schildklier niet in de schildklier zelf maar daarbuiten, zoals bijvoorbeeld in de aansturing vanuit de hypofyse of de hypothalamus; in dat geval wordt het een secundaire resp. tertiaire functiestoornis genoemd.

Bij een verlaagd TSH en een verhoogd FT4 ten opzichte van de normaalwaarden is er sprake van hyperthyreoïdie: er is een teveel aan schildklierhormoon in het bloed. Als het TSH verhoogd is en het FT4 normaal, wordt dat een subklinische hyperthyreoïdie genoemd (de term subklinisch wordt gebruikt voor moeilijk herkenbare en/of meetbare ziekteverschijnselen). Als zowel het TSH als het FT4 verhoogd is, kan dat wijzen op een buiten de schildklier gelegen oorzaak.

Bij een verhoogd TSH en een verlaagd FT4 ten opzichte van de normaalwaarden is er sprake van hypothyreoïdie : er is een tekort aan schildklierhormoon in het bloed. Als het TSH verhoogd is en het FT4 normaal, wordt dat een subklinische hypothyreoïdie genoemd. Als zowel het TSH als het FT4 verlaagd is, kan dat wijzen op een buiten de schildklier gelegen oorzaak.

Calcitonine

Bepaling van de calcitoninewaarden maakt geen deel uit van het standaard laboratoriumonderzoek bij schildklieraandoeningen – dit wordt alleen gedaan als er een medullair schildkliercarcinoom vermoed wordt.