Ablatie

  • De ablatieve radioactief jodiumbehandeling functioneert door de opname van radioactief jodium in de resterende schildkliercellen. Dit gebeurt door jodium-pompen in de celwand van de schildkliercellen. De activiteit van deze jodium-pomp wordt gestuurd via het hormoon TSH (= thyroidstimulerend hormoon). Normaliter wordt dit in de hypofyse geproduceerd. Als er een te zwakke functie van de schildklier is, is de productie van het hormoon TSH om de jodium-pomp te activeren sterk gestegen. Door dit mechanisme wordt tijdens de te zwakke functie zo veel mogelijk radioactief jodium in de resterende schildklierresten opgenomen.

    

Traditioneel krijgt de patiënt na de schildklieroperatie geen tabletten met schildklierhormoon, zodat de TSH-spiegel stijgt en de opname van het radioactief gemarkeerde jodium kan plaatsvinden. De periode zonder medicamenten voor schildklierhormonen ligt na een (bijna) volledige schildklierverwijdering op respectievelijk 2 tot 6 weken - als er grotere schildklierresten na de operatie achtergebleven zijn - op ongeveer 4 tot 6 weken. Een afwezigheid van schildklierhormoon kan tot veel klachten voor de patiënten leiden, onder andere tot een verminderde nierfunctie, verminderde hartfunctie problemen met de bloedsomloop, een verstoord immuunsysteem, depressies en ook vermindering van gedachtenactiviteit en concentratiestoornissen.



    Met een behandeling met rhTSH kunnen de onaangename bijwerkingen voorkomen worden: Daarbij wordt de TSH-spiegel door het toedienen van rhTSH (= recombinant humaan TSH), een biotechnologisch vervaardigd hormoon, korte tijd snel verhoogd. Twee giften van het rhTSH worden op twee opeenvolgende dagen voorafgaand aan de radioactief jodiumbehandeling in de  bilspier geïnjecteerd.. De medicatie van schildklierhormoon wordt of continu ingenomen of slechts korte tijd, over enkele dagen verspreid. Dit bespreken patiënten met de behandelend nucleair geneeskundige.



    Naar gelang de wijze van voorbereiding (met of zonder rhTSH) dienen patiënten voor de ablatie twee tot drie weken lang zo weinig mogelijk jodium via levensmiddelen tot zich te nemen. Daarna kan opnieuw normaal gegeten worden. Gedurende een periode van vier tot acht weken voor de ablatie mogen geen sterk jodiumhoudende medicamenten (bijvoorbeeld overeenkomstige röntgencontrastmiddelen, desinfectiemiddelen, oogdruppels, jodide-medicatie) of kunstmatige jodiumsupplementen in multivitamine- en spoorelementcombinaties toegediend respectievelijk ingenomen worden. Indien voor een schildklieroperatie een jodiumhoudend röntgencontrastmiddel in de ader gebracht is, dan moet de nucleair geneeskundige dit beslist weten. In twijfelgevallen kan een bepaling van het jodium-gehalte uitgevoerd worden.